Voor de 16-jarige Lilly van den Dongen uit Hoorn was het ITF Alkmaar een belangrijke…
Hé sir, you are machine number one
Op zondag 24 mei begon Roland Garros, en terwijl de wereldtop op de baan stond, draaide achter de schermen een ander team op volle toeren: de bespanners. HP/De Tijd interviewde Edwin Gruijs, gecertificeerd Pro Tour-stringer en net terug van het Mutua Madrid Open. Hieronder een fragment.
Deze week, op zondag 24 mei, begint het prestigieuze tennistoernooi op Roland Garros in Parijs, waar de gehele wereldtop weer zal strijden om de titels. Achter de schermen gaat het er minder glorieus aan toe. Daar werken de bespanners in een race tegen de klok om alle rackets op tijd van de perfecte spanning te voorzien. Zo’n ‘stringer’ is Edwin Gruijs, net terug van het Mutua Madrid Open, een groot ATP-masterstoernooi in de Spaanse hoofdstad. In gesprek met Gruijs over vakmanschap, rituelen, bijgeloof en stress: ‘Het wordt onderschat. Als spelers het toernooi winnen, wordt de bespanner meestal niet genoemd.’
Vertel eens, hoe ben je stringer geworden?
“Ik ben mijn eigen rackets gaan bespannen toen ik zelf nog speler was. Ik ben begonnen met tennis op mijn dertiende, en rond mijn vijftiende ging ik fanatiek spelen. In één weekend sloeg ik vijf rackets kapot. Dat was het moment. Er was geen bespanservice of zoiets in de buurt, dus toen ben ik het zelf gaan doen. Een beetje amateuristisch nog in het begin.”
Heb je er een cursus voor gevolgd?
“Toen niet. Ik heb gewoon een beetje rondgekeken en het zelf geprobeerd. Het ging heel lang best aardig. Tot 2010 ongeveer, toen dacht ik: nu wil ik het professioneel gaan doen. Je hebt de GRSA, de Global Racket Stringing Association. Die organiseert cursussen om naar het niveau te komen waar ik nu zit. Die heb ik allemaal doorlopen. Ik ben inmiddels een gecertificeerde Pro Tourstringer, daar zijn er op de wereld maar zo’n negentig van.”
Er zijn allerlei rackets in allerlei vormen, en die hebben allemaal een andere spanning nodig?
“Niet alleen het racket, maar vooral de speler. Een groot racketblad bespan je meestal strakker. Spelers moeten gewoon zelf testen: hoeveel kilo wil ik erin? Bij een zachtere bespanning, minder kilo’s dus, kun je in principe harder slaan. Bespan je harder, dan heb je meer controle. Het is anders dan de meesten denken.”
Hoe harder, hoe meer controle?
“Bij een hardere bespanning gaat de bal minder diep in de snaren. Als jij dan hard slaat, blijft hij binnen de lijnen. Bespan je zachter en sla je door, dan gaat hij erbuiten.”
De bespanning is dus erg belangrijk.
“Wij noemen het de motor van het racket. Als je een Mercedes-racket hebt, en je zet er een DAF-motor in, dan kom je niet vooruit.”
Je komt net van een ATP Masters-toernooi in Madrid, waar de hele wereldtop speelde.
“Daar stond ik met achttien man. Achter rijen van machines in een tent. Het licht was goed, maar ik kon niet met mijn armen wapperen, want dan zat ik bij mijn buurman in zijn nek. Mijn machine stond strak naast die van een ander. Ik kon ook niet echt op mijn stoel zitten, want dan zat ik tegen de rand van het racket van een ander.”
Louter hard werken dus?
“Om zes uur ging de wekker. Ik deed altijd eerst een half uur yoga om mezelf weer recht te krijgen, want je staat de hele dag voorover gebogen. Om kwart over zeven kwamen de taxi’s die ons van ons hotel naar het tennispark brachten.”
Jij stond bij machine nummer één.
“Dat vond ik echt geweldig. Toen ik begon op zondag zei een van die dames: ‘Hé sir, you are machine number one.’ Diepe buiging. Weet u dat nog niet? Nee, ik wist het niet. Ik stond vooraan, naast machine twee en drie. Dan heb je de meeste kans om de toppers te krijgen. En die kregen we ook.”
Lees het volledige interview op HP/De Tijd: Hé sir, you are machine number one – door Tom Kellerhuis.
In het volledige interview vertelt Edwin onder meer over zijn werk voor Rafael Nadal en Jannik Sinner, het bijgeloof van topspelers, on-court bespanningen in elf minuten, en wat het beste materiaal is voor recreanten.